6 december 2011

Kwijt

 Er woedt een storm in mijn hoofd van woorden waar ik niets van begrijp. Ik kan ze niet grijpen en per dag neemt de storm toe. Meer en meer woorden. Meer en meer storm. Ik wil het stoppen, maar ik kan het niet.
Je troostende woorden, je hand op mijn wang. Maar de blik in je ogen zegt genoeg. Je bent gebroken. De realiteit is ingeslagen als een bom. En als ik je zo zie wordt de storm alleen maar erger. Je grote, treurige ogen staren me aan. Ik zie het verdriet en ik zie de pijn. Ik zie hoe je je groot probeert te houden, voor mij. Maar het hoeft allemaal niet. Het hoeft niet. Ik zal je troosten wanneer je voor me breekt. Ik zal je opvangen en ik zal die troostende hand op je wang zijn. Ik zal je hand vasthouden en we zullen samen vechten. Samen tot het eind.
En ik zal je niet laten zien dat ik gebroken ben. Ik zal niet laten zien dat ik de weg kwijt ben. Ik zal je niet laten zien dat ik geen idee heb wat ik ooit zonder je zou moeten. Want ik weet het. Je ziet het in mijn ogen. Je ziet hoe het me langzaam breekt.
We hebben dezelfde grote, treurige ogen. We zijn beiden de weg kwijt. Maar ik heb geen idee wat ik zou moeten doen, als het moment van afscheid er is. Ik wil geen afscheid nemen van je grote ogen, je hand op mijn wang en je troostende woorden. Jij was degene die de storm in mijn hoofd kon stoppen en straks ben je er niet meer. Ik breek langzaam, maar voor jou zal ik sterk zijn. Voorlopig zijn we in ieder geval nog samen de weg kwijt en ik zal proberen om tegen de storm in te rennen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten